
|

|
Drie brieven uitgelicht:
Eigenhandige gesigneerde brief van Jacques-Louis
David (1748-1825) aan de schilder Joseph-Denis Odevaere
(1778-1830) Brussel, 21 januari 1818; 2 1/2p. op een dubbel blad in-8� (inv.
nr. 2003-A.1234)
De contacten tussen David en zijn vroegere Belgische leerling Odevaere werden
weer intensiever toen de meester zich in ballingschap in Brussel vestigde.
In deze brief gaat David omstandig in op Odevaeres voornemen De prins
van Oranje te Waterloo (1817, Brussel, Justitiepaleis) in Londen tegen
betaling tentoon te stellen, een praktijk die hij van harte toejuicht. Maar
de brief is vooral van betekenis om het nooit gepubliceerde slot, waarin
David getuigenis aflegt over de merkwaardige tekeningen – karakterkoppen
en groepen in halffiguur – die zo kenmerkend zijn voor zijn latere,
Brusselse jaren. Hij vertelt onder meer dat hij al 32 van dergelijke tekeningen
voltooid heeft en dat die verdeeld zijn over acht lijsten met telkens vier
tekeningen. Een daarvan werkt hij nu voor een Waal uit tot een schilderij.
De afmetingen die David noemt maken duidelijk dat het daarbij moet gaan
om De woede van Achilles (1819, Fort Worth, Kimbell Art Museum),
geschilderd voor André Parmentier in Huizingen bij Brussel. Kennelijk
reiken de ideeën voor dit schilderij dus al terug tot januari 1818.
Bibliografie: Jules David, Le peintre Louis David,
1748-1825. Souvenirs et documents inédits, Parijs 1880,
p. 552; Daniel en Georges Wildenstein, Documents complémentaires
au catalogue de l’œuvre de Louis David, Parijs 1973, nr.
1812; Antoine Schnapper, ‘David et l’argent’, in R. Michel
(ed.), David contre David (actes du colloque Paris, Musée
du Louvre, 1989), vol. II, Paris 1993, p. 920
Eigenhandige gesigneerde
brief van Koloman Moser
(1868-1918) een brief aan een onbekende vrouw (‘Liebes Kind’)
s.l. 22 september 1904, 4 pagina’s op een dubbel blad in-8�
(inv. nr. 2003-A.242)
Net als andere architecten
van zijn generatie heeft de Wener Koloman Moser ook sieraden en kleding
ontworpen. Zijn belangstelling voor mode wordt door deze brief bijzonder
aanschouwelijk gemaakt. Een door de geadresseerde eerder omschreven ontwerp
voor een jurk wordt er door Moser kritisch in besproken. ‘Lampenschirm’
is zijn beknopte commentaar. Vervolgens beschrijft en tekent hij wat hijzelf
in gedachte heeft: een breed uitwaaierende jurk met daarover een strak zijden
hesje waarvan de mouwen tot op de handen liggen.
De dame aan wie de brief is gericht is vooralsnog onbekend, maar het uiteindelijke
resultaat van haar briefwisseling met Moser lijkt geïdentificeerd te
kunnen worden met een jurk in het Historisches Museum der Stadt Wien, waarin
de voornaamste kenmerken van zijn voorstel terug zijn te vinden.
Bibliografie: cf.
Werner Fenz, Koloman Moser, Salzburg & Wenen 1984, pl. 29;
een brief d.d. 27 september 1904 in de veiling Berlijn, J.A. Stargardt,
30 november-1 december 1988, nr. 654
Eigenhandige
gesigneerde brief van Ludwig Schnorr von Carolsfeld (1788-1853) aan zijn
vader Veit Hans Friedrich Schnorr von Carolsfeld (1764-1841)
ongedateerd (Wenen, voorjaar 1805 ?); 4 p. op een dubbel blad in-8°
(inv. nr. 2003-A.935)
Van de nog weinig bestudeerde
Ludwig Schnorr von Carolsfeld kon in de afgelopen jaren een dertigtal brieven
en handschriften voor de Collectie Frits Lugt verworven worden. In deze
brief vertelt de zeventienjarige student aan de Weense Akademie zijn vader
over het onuitstaanbare gedrag van een medestudent, over zijn schuchtere
pogingen in olieverf te werken en over de attenties van zijn bewonderde
leraar, Friedrich Heinrich Füger. Een romantische stemming klinkt door
in de hooggestemde bewoordingen waarin hij het landschap van de ‘göttliche
Briel’ beschrijft, doel van een uitstapje met medestudenten.
De verzameling omvat ook een aantal brieven van opdrachtgevers van Ludwig
Schnorr von Carolsfeld, zoals aartshertog Johann van Oostenrijk (1782-1859)
of de politicus Joseph Freiherr von Hormayr zu Hortenburg (1781-1848). Van
zijn veel beroemdere broer Julius (1794-1872), die zich in Rome aansloot
bij de groep die als de Nazarener bekend is geworden, werden eveneens brieven
aangekocht, waaronder enkele uit zijn Italiaanse tijd. Beider vader Veit
Hans Friedrich Schnorr von Carolsfeld tenslotte is in de verzameling vertegenwoordigd
met een tiental brieven en een vroeg afschrift van zijn Lebensgeschichte
uit 1835.