Drie brieven uitgelicht:

Eigenhandige gesigneerde brief van Lyonel Feininger (1871-1956) aan de schrijver Paul van Ostaijen (1896-1928)
gedateerd Weimar, 30 november 1919; 1 p. op een enkel blad in-4°, inv. n° 2002-A.1172


In deze brief vat Feininger zijn teleurstelling over het werk van Oscar Jespers (1887-1970), waarvan Van Ostaijen hem foto's gestuurd had, nog eens samen: de Vlaamse kunst is zo gekleurd door een puur schilderkunstige traditie dat het een Vlaamse kunstenaar alleen door zware inspanning zal lukken de plastische, zuiver abstrakte vorm te bereiken. Dat geldt voor Jespers zo goed als voor Paul Joostens (1889-1960) – maar Feininger moet afbreken, ongetwijfeld vanwege het drukke bestaan aan het Bauhaus waarover hij zich aan het begin van de brief beklaagt. Als briefhoofd drukte Feininger, die aan het Bauhaus hoofd van de grafische werkplaats was, een kleine houtsnede van eigen hand af (Vulkan, Prasse W 132 ii).

Feininger had Van Ostaijen in Berlijn leren kennen waar deze zich in oktober 1918 gevestigd had om aan een veroordeling als Vlaams activist te ontkomen. Ongetwijfeld was Feiningers geringe waardering van het werk van Oscar Jespers – medeoprichter met Van Ostaijen van het tijdschrift Het sienjaal en verantwoordelijk voor vormgeving en illustratie van diens bundel Bezette stad (Antwerpen 1921) – er de oorzaak van dat hun vriendschap geleidelijk bekoelde. Als Van Ostaijen Feiningers negatieve oordeel aan Jespers overbrengt heet het: 'stoor je niet aan het oordeel van Feininger. Hij wordt oud en draait rechts-estheties' (Gerrit Borgers, Paul van Ostaijen. Een documentatie, Den Haag 1971, deel I, p. 275).



Eigenhandige gesigneerde brief van Ilja Repin (1844-1930) aan Maria Tenisjeva (1867 (?)-1928)
waarschijnlijk geschreven in Sint-Petersburg, gedateerd 16 februari 1897, 4 pp. op een dubbel vel in-4o, inv. n° 2002-A.1249


Samen met bijna veertig andere brieven gericht aan de belangrijke mecenas Maria vorstin Tenisjeva, werden twee brieven aangekocht van Ruslands grootste negentiende-eeuwse schilder, Ilja Repin. Ze vullen een ensemble aan van 59 stukken die zich al langer in de verzameling bevinden (inv. nrs. 1993-A.1198/1256), zodat vermoedelijk alle brieven van Repin aan Tenisjeva weer herenigd zijn.

In de besproken brief geeft Repin in klare bewoordingen zijn mening over een studentenopstand die plaatsvond aan de Petersburgse kunstacademie, waaraan hij sinds 1893 verbonden was. Maar de brief behandelt ook een zaak van meer intieme aard: zijn moeilijke verhouding met Natalja Nordman, die hij in zijn brieven aan de vorstin doorgaans ‘Shéhérazade’ noemt. Een grote vertrouwelijkheid is ook in het algemeen kenmerkend voor Repins brieven aan Tenisjeva. ‘Vergeeft u me, lieve,’ zo beëindigt hij deze brief, ‘dat ik U steeds slechts over onaangenaamheden schrijf. Ik zou U zo graag alles, alles vertellen.’


Bibl.: I.P. Lapina, "Pis'ma I.E. Repina k knjagine M.K. Tenievoj" in Rerichovskij sbornik, 4 (2001), nr. 36, p. 346



Een eigenhandige gesigneerde brief van Johann-Georg Wille (1715-1808) aan Johann Friedrich Frauenholz (1758-1822), gedateerd Parijs, 27 maart 1792, 4 pp. op een dubbel vel in-4o, inv. n° 2002-A.1142

Johann-Georg Wille wordt tegenwoordig minder herinnerd als graveur dan om het dagboek en de brieven die hij heeft geschreven. Beide zijn unieke bronnen voor de kunstgeschiedenis van zowel zijn vaderland als van Frankrijk, waar hij het grootste deel van zijn leven heeft gewerkt. Een keuze uit zijn brieven is onlangs voor het eerst verschenen maar het Journal werd al in 1857 gepubliceerd.

Over het ontstaan ervan zijn we ingelicht door Wille zelf in een beroemde passage van het boek waar hij een brief aan een vriend parafraseert, die Wille had verzocht zijn herinneringen te boek te stellen. Wille deelt mee dat wie daar belang in stelt na zij dood een en ander in zijn dagboeken zal vinden. De brief zelf dook pas in 2002 op en werd samen met drie andere voor de Collectie Frits Lugt verworven, waar hij een ensemble aanvult dat al meerdere brieven van deze belangrijke kunstenaar-schrijver rijk was.


Bibl.: Mémoires et journal de J.-G. Wille graveur du roi, G. Duplessis (ed.), Parijs 1857, p. xv-xvi, 338-339