Biografie Frits Lugt







Twee brieven uitgelicht:

Christina van Zweden (1626-1689) koningin van Zweden, verzamelaarster en mecenas
gedeeltelijk eigenhandige en gesigneerde brief aan Pierre Michon, genaamd l'Abbé Bourdelot (1610-1685), gedateerd Rome 20 maart 1681; 2 pp. op een enkel blad in-4° (inv. n° 2001-A.808)

 
De brief is geschreven vanuit Rome, lang na Christina’s troonsafstand in 1654, en is gericht aan haar gewezen lijfarts en raadsman in Frankrijk. Voornaamste onderwerp is een penning, één van de vele die Christina tijdens haar leven liet slaan. "De medaille die men u zonet heeft toegezonden," schrijft ze, "spreekt zo duidelijk, dat het me verwonderd te zien dat ze discussie heeft opgeroepen. Het hoofdmotief van het embleem stelt niet alleen het Noorden voor maar de hele Wereld, en de woorden: Ne mi bisogna, ne mi basta ['Ik heb het niet nodig, het is me niet genoeg'] gaan over de Wereld en niet alleen over het Noorden, dat er maar een klein deel van is. Men vond haar schitterend hier, waar meerdere kenners zijn, en onder anderen zegt een scherpzinnig man over deze medaille dat ze waardig zowel de gevoelens van Alexander als van Diogenes uitdrukt." (Er bestaat een aanwijzing dat met die ‘homme d’esprit’ de beeldhouwer Gianlorenzo Bernini (1598-1680) bedoeld wordt.) Vervolgens legt Christina uit dat de betekenis nog veel verhevener is dan velen denken, namelijk "dat men de Wereld met vreugde achter zich kan laten omdat hij niet in staat is om te bevredigen of een groot hart te bevatten dat gemaakt is voor iets dat veel groter is dan de hele Wereld."
 
Het handschrift van de brief is dat van Christina’s secretaris en hij werd door haar ondertekend. Bovendien voegde ze er eigenhandig een ps aan toe, waarin ze inderhaast nog reageert op de toenmalige politieke situatie. Ook na haar troonsafstand hield Christina zich niet alleen met kunst bezig.
 
In de Collectie Frits Lugt bevindt zich behalve deze brief van Christina ook een andere brief van haar (aan Isaac Vossius (1618-1689), inv. n° 4806) én een brief aan Constantijn Huygens (1596-1687) door de Franse filosoof René Descartes (1596-1650) waarin hij haar onder andere prijst omdat ze ‘zo verre is van alle zwakheden harer seksegenoten’ (inv. n° 5987). Recent werd nog een inventaris van een deel van Christina’s verzameling verworven (inv. n° 1996-A.212).

Bibl.: Johann Arckenholtz, Mémoires concernant Christine reine de Suède […], Amsterdam & Leipzig 1751-1760, vol. 3, p. ii-vi, vol. 4, p. 112-114



Gaston Chaissac (Avallon 1910-La Roche-sur-Yon 1964)
Een eigenhandige en gesigneerde brief aan René Rougerie, niet gedateerd [21 maart 1946]; 3 pp. op een dubbelblad in-4°, met adres op de vierde p. (inv. n° 2001-A.498)

 
De zeven korte prozastukken die in februari 1946 in het derde nummer van het tijdschrift Centres verschenen – 'Peinture rustique moderne', 'Cinq contes' en 'Surréalisme !!!' – behoren tot de eerste teksten van Gaston Chaissac die gepubliceerd werden. De kunstenaar overwoog zich aan de literatuur te wijden en was door René Rougerie, een van de oprichters van het tijdschrift, uitgenodigd bijdragen te leveren. Twee van de twintig brieven die Chaissac, hoofdzakelijk in 1946 en 1947, aan deze laatste schreef konden in 2001 verworven worden.
 
In deze brief bedankt Chaissac Rougerie voor het nummer van Centres waarin zijn teksten verschenen. De zending uit Limoges, waar het tijdschrift verscheen, brengt hem meteen op zijn voornemen ontwerpen voor serviesgoed te maken, een plan dat meer dan eens terugkomt in zijn brieven aan Rougerie. Ook wil hij dat Rougerie zijn pentekeningen leert kennen, waarvan hij middels een schetsje alvast een indruk geeft. Allerlei onderwerpen volgen in schijnbaar willekeurige volgorde: herinneringen aan zijn grootvaders, zijn nicht die aquarelleert, zijn gedichten, zijn accordeon en zijn wens een draailier te bezitten, zijn werk als schoenmaker dat weinig oplevert. Aan het slot memoreert hij de rol die Otto Freundlich (1878-1943) en zijn vrouw Jeanne Kosnick-Kloss (1892-1966) in zijn ontwikkeling als kunstenaar gespeeld hebben. Uit een brief, die hij van deze laatste ontvangen heeft, blijkt dat zij het moeilijk heeft en nog in onwetendheid verkeert over het lot van haar man, die door de Nazi's werd gedeporteerd.
 
Sinds 1943 woonde Chaissac in de Vendée, waar zijn vrouw als dorpsonderwijzeres in hun beider onderhoud voorzag. Voor het leggen en onderhouden van zijn contacten was hij daardoor in belangrijke mate aangewezen op zijn correspondentie. Zijn brieven, met hun volstrekt eigen toon en thematiek, werden al direkt bewonderd en gingen van hand tot hand. De auteur was er zich van bewust en werkte meer dan eens delen van zijn brieven om tot prozastukken en verhalen.

Bibl.: Gaston Chaissac, Je cherche mon éditeur – lettres, contes, documents, ed. G. Faucher, Mortemart 1998, pp. 57-60, met afb.